17. Hoofdstuk over Jalavahana

baars.jpegshakyamuni.jpegaksobhyadetail1.jpgvijver.jpegvissengoud.jpegca55ft4hthumbnail.jpg

Daarenboven, edele godin, werden alle wezens in het land van Koning Sureshvaraprabha weer genezen van al hun ziektes door Jalavahana, de Zoon van de Koopman en werden ze allemaal weer energiek, krachtig en kerngezond, net als vroeger. Alle wezens in het land van Koning Suresvaraprabha waren verheugd, maakten plezier, vermaakten zichzelf, gaven geschenken weg (oefenden zichzelf in Vrijgevigheid) en verzamelden verdiensten. Zij vereerden Jalavahana, de Zoon van de Koopman:

"Moge hij Zegevieren, moge Jalavahana,
de Zoon van de Koopman, de grote Koning der Artsen
en Geneesheer van alle wezens, de overwinning behalen.
Hij moet voorzeker een zichtbare Bodhisattva zijn.
Hij heeft het ganse achtvoudige Pad der Medische Kennis doorvorst."

Voorwaar, edele godin, toen had Jalavahana, de Zoon van de Koopman, een vrouw die Jalambugarbha heette en twee Zoons, Jalambara en Jalagarbha.

Edele godin, toen bezocht Jalavahana, de Zoon van de Koopman, samen met zijn twee Zonen succesvol de dorpen, steden, nederzettingen, districten, streken en paleizen. Toen, edele godin, kwam Jalavahana, de Zoon van de Koopman, op een later tijdstip aan in een soort oerwoud. In dat oerwoud zag hij vleesetende honden, wolven, jakhalzen, groepen kraaien en ander gevogelte.
Zij waren op weg naar de Atavisambhava vijver ('ontstaan in het woud'). Toen dacht hij:

bald_eagle-fearsome_flight-1024×768.jpgsea-eagle.jpegimages.jpeg

"Waarom vluchten deze vleesetende honden, wolven, jakhalzen, groepen kraaien en ander gevogelte hier naar toe? Wat zal er gebeuren als ik daar ook naar toe zou gaan?"
En inderdaad, edele godin, toen bereikte Jalavahana, de Zoon van de Koopman, in navolging van zijn vorige succesvolle bezoek, de Atavisambhava vijver.
In die grote vijver leefden Tienduizend Vissen. Daar zag hij vele honderden Vissen zonder water. Toen wekte hij een groots mededogen op. Hij zag daar de helft van het lichaam van een godin uit een Boom komen (de Boomgodin) en die sprak aldus tot Jalavahana, de Zoon van de Koopman:

treegoddess.jpegdsc00387.JPGdsc00283.JPG

"Bravo, bravo, edele Zoon, omdat je Jalavahana
(‘de Waterbrenger’) genoemd wordt
en de Vissen van water voorziet!
Om twee redenen wordt iemand Jalavahana genoemd:
Omdat iemand water brengt èn omdat iemand water schenkt.
Handel daarom dienovereenkomstig je Naam."

Toen vroeg Jalavahana: "Edele godin, hoeveel van die Vissen verkeren in deze uitzichtloze situatie?" De godin antwoordde: "Ruim Tienduizend Vissen!" Voorwaar, edele godin, toen wekte Jalavahana, de Zoon van de Koopman, het grote mededogen op.
Op dat moment, edele godin, was er in die Atavisambhava vijver nog maar een klein beetje water over. Die Tienduizend Vissen bevonden zich op het randje van de dood en door een gebrek aan water spartelden zij in het rond. Edele godin, toen sloeg Jalavahana, de Zoon van de Koopman, de vier richtingen in. In welke richting Jalavahana, de Zoon van de Koopman, zich ook bevond, daar keken die Tienduizend vissen bedroefd naar Jalavahana. Vervolgens, edele godin, rende Jalavahana, de Zoon van de Koopman, tevergeefs in de vier richtingen op zoek naar water. Hij keek in alle vier de richtingen. Niet zo ver weg zag hij een stel bomen. Toen klom hij daar in een boom, zaagde enkele takken af, keerde terug naar de vijver en zorgde door die takken voor wat schaduw voor die Vissen.
Voorwaar, edele godin, toen onderzocht Jalavahana, de Zoon van de Koopman, waar het water van die vijver toch vandaan zou moeten komen. Hij rende wederom de vier richtingen in, maar helaas vond hij nergens water. Plotseling ontdekte hij de sporen van een stroom. Toen hij die sporen begon te volgen, edele godin, ontdekte hij een grote rivier die Jalagama genoemd werd en de bron was waar het water van de vijver Atavisambhava vandaan kwam. In die tijd was deze rivier met opzet drooggelegd door een gewetenloos boosaardig wezen, zodat die Tienduizend Vissen geen water meer hadden om in te leven. Toen hij dit zag dacht hij:
"Geen duizend mannen kunnen het water van deze rivier hier naar toe loodsen, laat staan ik alleen?"
Daarop keerde hij maar weer terug.

ratnasikhin.jpeg

Voorwaar, edele godin, toen haastte Jalavahana, de Zoon van de Koopman, zich naar Koning Sureshvaraprabha. Toen hij daar was aangekomen knielde hij zich neder en boog hij met zijn hoofd voor de voeten van Koning Sureshvaraprabha en ging naast hem zitten. Hij vertelde de Koning het volgende:

"Ik heb de ziektes van alle wezens
in alle dorpen, steden,
nederzettingen, streken en paleizen
in het land van Uwe Majesteit genezen.

Maar nu ben ik een vijver tegengekomen,
die Atavisambhava heet, waarin Tienduizend Vissen
zonder water zitten en die verschroeit worden door de zon.

Moge Uwe Majesteit zo gul zijn
mij twintig olifanten te schenken,
zodat ik aan de dieren kan geven
waar de mensen ook niet zonder kunnen."

indra21.jpeg

Onmiddellijk gaf Koning Sureshvaraprabha zijn Ministers het bevel:
"Geef aan die grote Koning der Artsen twintig olifanten!"
En de ministers antwoordden:
"Alstublieft, groots Wezen, ga naar de olifantenstal en zoek twintig olifanten uit en handel voor het welzijn van voelende wezens."
Daarop vertrok Jalavahana, de Zoon van de Koopman, samen met zijn beide zonen Jalambara en Jalagarbha. Hij nam twintig olifanten en honderd leren zakken mee en keerde terug naar de grote rivier Jalagama. Daar vulde hij die leren zakken met water, die hij op de ruggen van de olifanten bevestigde en vertrok razend snel naar de vijver Atavisambhava.

dsc00172.JPGdsc00174.JPG

Toen vulde hij de vijver in de vier richtingen met het water uit al die leren zakken en wandelde zodoende in de vier richtingen rond. Waar Jalavahana, de Zoon van de Koopman, ook heenging, die Tienduizend Vissen bleven hem maar haastig achterna zwemmen.

Voorwaar, edele godin, toen dacht Jalavahana, de Zoon van de Koopman:

"Waarom zwemmen die Tienduizend Vissen
toch zo haastig achter mij aan?
Ongetwijfeld zullen deze vissen door honger
worden voortgedreven en voedsel van me willen.
Wat als ik ze nu eens van voedsel zou voorzien?"

Waarachtig, edele godin, toen sprak de Zoon van de Koopman, Jalavahana, aldus tot zijn Zoon Jalambara:

"Vertrek, edele Zoon, bestijg de snelste olifant
van allemaal, ga zo vlug mogelijk naar huis
en zeg het volgende tegen je Grootvader, de Koopman:

‘Grootvader, Jalavahana zegt dat al het voedsel
dat al klaar gemaakt is in dit huis voor ouders,
broeders, zusters, bedienden en arbeiders,
onmiddellijk ingepakt en op de rug van Jalambara’s olifant
gezet moet worden en die moeten vervolgens
zo vlug mogelijk naar Jalavahana terugkeren.’"

Toen besteeg zijn Zoon Jalambara daadwerkelijk de olifant, vertrok razend snel naar huis en gaf gedetailleerd de boodschap aan zijn Grootvader door. De Grootvader stuurde toen alles wat hem opgedragen was, zo vlug mogelijk naar Jalambara. Toen bevestigde Jalambara al dit voedsel op de rug van de olifant en vertrok haastig naar de Atavisambhava vijver. Toen Jalavahana zag dat zijn Zoon Jalambara was aangekomen was hij vervuld van vreugde. Hij nam het voedsel van zijn zoon aan, hakte het fijn, gooide het in de vijver en zo werden al die Tienduizend Vissen gevoed en verzadigd.

Toen dacht hij:

"Ik heb ooit eens gehoord,
dat ergens diep in het woud
een monnik uit de Mahayana-traditie heeft gezegd:

‘Een ieder die op het moment van overlijden
de Naam van de Tathagata Ratnasikhin, de Arhat,
de volkomen Verlichte, hoort, zal wedergeboren worden
in Hemel van Gelukzaligheid, (tussen de Drieëndertig goden).’

Wat als ik nu eens aan de die vissen
de diepzinnige Dharma over ‘Afhankelijk Ontstaan’ uitleg?
Ik zal hun de Naam van de Tathagata Ratnasikhin,
de Arhat, de volkomen Verlichte laten horen."

In die tijd waren de meningen van de wezens in Jambudvipa verdeeld: Sommigen geloofden in het Mahayana voertuig, maar anderen verachtten het. En waarachtig, toen stapte Jalavahana, de Zoon van de Koopman, tot zijn knieën de vijver in en sprak op plechtige wijze:

"Hulde aan de Boeddha Ratnasikhin,
de Tathagata, de Arhat, de volkomen Verlichte,
die door in vroegere tijden het volledige Pad
van de Bodhisattva te hebben bewandeld,
het volgende besluit heeft gemaakt:

‘Een ieder die in de tien richtingen verblijft
en op het moment van zijn dood mijn Naam hoort,
zal wedergeboren worden als een god
in de Hemel van de Drieëndertig goden.’"

Voorwaar, toen legde Jalavahana, de Zoon van de Koopman aan die wezens die in het dierenrijk geboren waren, de Dharma van ‘Afhankelijk Ontstaan’ uit:

"Wanneer dit is, is dat;
dit ontstaat, dat ontstaat.
Wanneer dit niet is, is dat niet;
dit stopt, dat stopt.

[Vanuit dit principe van voorwaardelijkheid, relativiteit en onderlinge afhankelijkheid, wordt het hele bestaan – de voortgang van het leven en de beëindiging ervan – in een gedetailleerde formule uitgelegd, die ‘Afhankelijk Ontstaan’ wordt genoemd en die uit de volgende Twaalf schakels bestaat:]

levensrad.jpeg

1. Onwetendheid schept de voorwaarde voor wilshandelingen of het vormen van karma.
2. Wilshandelingen scheppen de voorwaarde voor bewustzijn.
3. Bewustzijn schept de voorwaarde voor mentale en fysieke verschijnselen.
4. Mentale en fysieke verschijnselen scheppen de voorwaarde voor de zes zintuigen (de vijf zintuigen en de (denk)geest).
5. De zes zintuigen scheppen de voorwaarde voor (zintuiglijk en geestelijk) contact.
6. Contact schept de voorwaarde voor gevoel.
7. Gevoel schept de voorwaarde voor begeerte (dorst).
8. Begeerte schept de voorwaarde voor (vast)grijpen.
9. Grijpen schept de voorwaarde voor het proces van wording.
10. Wording schept de voorwaarde voor geboorte.
11. Geboorte schept de voorwaarde voor (12) ouderdom, ziekte en de
dood.
12. Dood en verval scheppen de voorwaarde voor onwetendheid en zo
begint deze cyclus weer opnieuw.

[Dit is hoe het leven ontstaat, bestaat, voortgaat en zo zijn de wezens gebonden aan dit kwaadaardige Levenswiel. Wanneer we deze keten in omgekeerde volgorde nemen komen we tot het beëindigen van dit proces.]

Door het opheffen van Onwetendheid
stoppen de Wilshandelingen of het ontstaan van Karma.
Door het opheffen van Wilshandelingen, stopt het Bewustzijn,
enzovoort, totdat uiteindelijk Geboorte en Dood
eveneens stoppen!

Dit is het definitieve einde van het Lijden,
de volledige uitputting van het Karma
en de bevrijding uit het cyclische bestaan,
[dat geen begin (eerste oorzaak) kent.]"

Op deze wijze, edele godin, heeft Jalavahana, de Zoon van de Koopman, in die tijd, de Dharma verkondigd, aan hun die in het dierenrijk geboren waren. Daarna ging hij met zijn beide zoons, Jalambara en Jalagarbha naar huis.

dsc00369.JPG

Een tijdje daarna lag Jalavahana, nadat hij op een groot feest plezier had gemaakt, dronken in zijn bed, volledig bedwelmd door de sterke drank. Op dat moment verscheen er een wonderbaarlijk groot Teken, nadat die Tienduizend Vissen die nacht gestorven waren en gezamenlijk gereïncarneerd waren als goden in de Hemelen van de Drieëndertig goden.

anunakkies.jpeg

Zodra zij daar waren wedergeboren, dachten zij:

"Door welke goede daad zijn wij nu eigenlijk
hier in de Hemel van de Drieëndertig goden wedergeboren?
In Jambudvipa waren we Tienduizend Vissen.

Toen we nog tot het dierenrijk behoorden,
werden we door Jalavahana, de Zoon van de Koopman,
overvloedig voorzien van water en voortreffelijk voedsel.

Bovendien heeft hij aan ons de diepzinnige Dharma
over ‘Afhankelijk Ontstaan’ verkondigd
en hij heeft ons de Naam van de Tathagata Ratnasikhin,
de Arhat, de volkomen Verlichte laten horen.

Om die reden en vanwege die goede daad (van hem),
zijn we nu tussen de goden wedergeboren.
Daarom zullen Jalavahana, de Zoon van de Koopman,
nu gaan opzoeken en hem hulde bewijzen!"

dsc00118.JPGenki.jpgbloemen.jpeg

Toen vertrokken de Tienduizend Goddelijke Zonen uit de Hemel van de Drieëndertig goden en stonden ze (ineens) in het huis van Jalavahana, de Zoon van de Koopman.
En toen lag Jalavahana, de Zoon van de Koopman, inderdaad nog steeds in zijn bed. Die goddelijke Zonen legden vervolgens tienduizend colliers van parels naast zijn hoofd, tegen zijn voetzolen en aan zijn rechter en linker zijde en het regende bossen mandara- en mahamandara bloemen. Er werd op goddelijke trommels geslagen, zodat iedereen in Jambudvipa wakker werd. En ook Jalavahana, de Zoon van de Koopman, werd wakker. Toen stegen die Tienduizend Goddelijke Zonen de lucht in en bewogen zich naar de Atavisambhava vijver in het land van Koning Sureshvaraprabha, waar de goddelijke Zonen over de diverse gebieden grote hoeveelheden mandarava bloemen hadden uitgestrooid. Nadat ze over die grote vijver grote hoeveelheden mandarava bloemen hadden uitgestrooid, verdwenen zij. Thuisgekomen in hun Hemelse Verblijven tussen de goden, vierden zij feest en genoten zij van de vijf objecten van zinnelijke lust. Zij genoten ervan, speelden met elkaar en waren erg vrolijk en gelukkig. Tevens kregen ze veel geluk. En in Jambudvipa brak toen de dag aan.

inanna.jpegindra4.jpegpearls.jpeg

Voorwaar, toen vroeg Koning Sureshvaraprabha, aan zijn Astrologen en Hofmeesters: "Waarom verschenen die wonderbaarlijke Tekens vannacht?" Zij antwoordden hem: "Moge het Uwe Majesteit een genoegen zijn te weten dat er in het huis van Jalavahana, de Zoon van de Koopman, veertigduizend colliers van parels en grote hoeveelheden mandarava bloemen zijn neergevallen."
Daarop sommeerde de Koning: "Mijne Heren, vraag op een vriendelijke manier aan Jalavahana, de Zoon van de Koopman, om naar mij toe te komen."
Toen gingen de astrologen en de hofmeesters naar het huis van Jalavahana en verzochten hem vriendelijk naar Koning Sureshvaraprabha te gaan.
Daarop vertrok Jalavahana, de Zoon van de Koopman, samen met de hofmeesters naar Koning Sureshvaraprabha. Bij de Koning aangekomen vroeg deze hem: "Jalavahana, kent u de reden waarvoor deze tekenen zich vannacht hebben voorgedaan?" Toen sprak Jalavahana, de Zoon van de Koopman aldus tot Koning Sureshvaraprabha:

"Dat weet ik inderdaad, Uwe Majesteit.
Vast en zeker zijn de Tienduizend Vissen gestorven."

De Koning vroeg toen: "Hoe weet je dat?" Jalavahana antwoordde: "Uwe Majesteit, laat Jalambara naar de vijver gaan om te zien of die Tienduizend Vissen nu dood of levend zijn." De Koning zei daarop: "Zo zal het zijn." Toen zei Jalavahana, de Zoon van de Koopman tegen zijn zoon Jalambara: "Ga, mijn Zoon, naar de Atavisambhava vijver en kijk of die Tienduizend Vissen levend of dood zijn."

Toen vertrok zijn Zoon Jalambara razend snel naar de Atavisambhava vijver, maar toen hij daar aankwam zag hij dat die Tienduizend Vissen waren gestorven. Hij zag uit de lucht een grote stroom van mandarava bloemen neervallen en keerde vervolgens weer huiswaarts om zijn Vader mede te delen: "Ze zijn dood."

Toen Jalavahana, de Zoon van de Koopman, deze woorden van zijn Zoon Jalambara gehoord had, ging hij naar Koning Sureshvaraprabha om hem dit nieuws in detail te vertellen:

"Moge het Uwe Majesteit een welbehagen zijn
te weten dat al die Tienduizend Vissen dood zijn
en zijn wedergeboren tussen de Drieëndertig goden.

Door hun Krachten zijn er in ons huis
veertigduizend colliers van parels neergelegd,
grote stromen mandarava bloemen neergevallen
en daarom zijn er vannacht zulke gunstige Tekenen verschenen."

Toen de Koning dit hoorde, was hij verrukt, tevreden, gelukkig en vreselijk blij.

Voorwaar, toen sprak de Verhevene aldus tot de edele godin Bodhisattvasamuccaya:

“Edele godin, mocht je willen weten
wie Koning Sureshvaraprabha in zijn vorige leven was,
dan is dat niet gemakkelijk te achterhalen.

Dandapani, van de Shakya-clan,
was in die tijd Koning Sureshvaraprabha.
Mocht je, edele godin, denken dat hij iemand anders was,
dan was hij in die tijd Jatimdhara, de Koopman.

babybuddha.JPG

Maar dit klopt niet! En waarom niet?
Omdat Koning Shuddhodana in die tijd en in dat leven,
de Koopman Jatimdhara was.

bnbs.jpeg

Maar, edele godin, mocht je denken
dat hij toch iemand anders was, dan klopt ook dat niet.
En waarom niet? Omdat ik, (Shakyamuni Boeddha),
toen Jalavahana, de Zoon van de Koopman was.

yashodara.jpeg

Gopa, de dochter van de Shakya’s,
die in die tijd Jalambugarbha heette,
was in dat leven de echtgenote van Jalavahana,
de Zoon van de Koopman.

rahula.jpegananda.jpeg

Rahula was toen, in dat leven, Jalambara,
de Zoon van de Koopman, Jalavahana.
En de Eerbiedwaardige Ananda was toen Jalagarbha,
de Zoon van Jalavahana, de Zoon van de Koopman.

Maar mocht je, edele godin,
denken dat ook dit niet waar is
en zij in die tijd anderen waren,
dan waren zij de Tienduizend Vissen.

brahma.jpegenki.jpeg

Maar ook dit is niet waar. En waarom niet?
Omdat die Tienduizend goddelijke Zonen,
aangevoerd door Jvalanantaratejoraja,
in die tijd, de Tienduizend Vissen waren,
die door mij van water en voortreffelijk voedsel werden voorzien.

Bovendien heb ik hun de diepzinnige Dharma
van ‘Afhankelijk Ontstaan’ verkondigd
en heb ik hun de Naam van de Tathagata Ratnasikhin,
de Arhat, de volkomen Verlichte laten horen.

Vanwege die goede daad zijn zij naar mij toegekomen
en heb ik hun toen voorspeld, wanneer zij de allerhoogste
en volmaakte Verlichting zullen bereiken.

Omdat zij diep respect voor de Dharma hebben,
waar zij met veel vertrouwen, plezier en vreugde naar luisteren,
hebben zij allemaal Voorspellingen
en (heilige) Namen ontvangen.
En mocht jij, edele godin, denken dat jij iemand anders was
in die tijd, dan heb je het weer mis. En waarom is dat zo?
Omdat Jij toen, edele godin, in die tijd de Boomgodin was.

Op deze wijze, edele godin, wil ik bekend maken,
dat toen ik nog niet bevrijd was van het cyclische bestaan,
ik (al) wel vele wezens op weg heb geholpen,
om ooit de Verlichting te bereiken.

En ze zullen allemaal het stadium bereiken,
waar ze "de Voorspelling" zullen ontvangen,
wanneer ze de allerhoogste
en volmaakte Verlichting zullen bereiken.


Zo (eindigt) het zeventiende hoofdstuk, het Hoofdstuk over de vorige levens van de Tienduizend Vissen, de (Vis)discipelen van Jalavahana, in de uitmuntende Suvarnabhasa, de koning van de sutra’s.

buddha12.jpegaksobhya6.jpegpotala.jpegvisjes.jpeg

Geen opmerkingen:

Een reactie posten